Aardappelen

Op onze boerderij telen we ca. 10 hectare aardappelen, te weten consumptieaardappelen, dus de aardappelen die u in een zakje in de supermarkt kunt kopen. Op dit moment hebben wij als hoofdras Milva. Dit is een sterk ras en een vastkokende aardappel. Dit ras geeft veel aantallen per geplante knol en heeft een sterkte huid op schurftgevoelige grond (schurft zijn een soort wratjes). 

In de alinea’s hieronder nemen we u mee in wat er allemaal voorafgaand, tijdens en na de aardappelteelt gebeurd. 

We beginnen de teelt met het laten nemen van grondmonster, zodat we weten hoeveel stikstof en fosfaat er om te beginnen in de grond aanwezig is. Het echte landwerk begint met het klepelen van de groenbemester, dit doen we om de groenbemester fijn te malen, zodat hij beter verteerd. Daarna bewerken we de grond met de schijfeg om de mulch (de gehakselde groenbemester) te mengen in de bodem. Hierna wordt er rundveedrijfmest van een buurman over het land uitgereden, zo helpen we elkaar. 

Vervolgens ploegen we de grond om, hiermee werken we alle groene resten onder. Hierdoor hoeven wij de groenbemester niet dood te spuiten en hoeven we minder glyfosaat te gebruiken. 
Na het ploegen gaan we met de rotorkopeg de grond ongeveer 15 à 20 cm diep bewerken, hiermee creëren we ook direct een mooi zaaibed waar de aardappels in geplant kunnen worden. Bij de planten geven we ook direct een meststof mee en ontsmetten we de grond in de rij (tegen bodemschimmels), om zo min mogelijk gebruik te hoeven maken van chemische middelen. 
Vervolgens wordt er Kali over de ruggen geregen, dit bevordert de kwaliteit en natuurlijke weerbaarheid van de aardappelplant. Tegen de schurft wordt er dan nog calcium (meststof) gespoten, voordat de ruggen worden aangefreesd. De aardappelruggen worden aangefreesd om ze meer body te geven, zodat de aardappelen in de rug groeien en niet daarboven, daar krijg je namelijk groene aardappelen van. 


Als de ruggen gefreesd liggen, gaan we beginnen met de onkruidbestrijding. We doen dit met een L.D.S.-systeem (Laag Doserings Systeem). We spuiten dus met een lage concentratie middel in een aantal keren de net gekiemde onkruidjes weg. Deze manier van onkruidbestrijding is minder slecht voor zowel milieu als voor onze portemonnee. 


Zodra de aardappelen boven komen, begint de schimmelbestrijding. De schimmels waar we het meeste voor uit moeten kijken zijn Phytophthora en Alternaria. Voor de schimmelbestrijding maken we gebruik van een B.O.S.-systeem (Beslissings Ondersteunend Systeem), waardoor het soms mogelijk is om wat later te spuiten dan we anders zouden doen. 
De bespuitingen die we uitvoeren zijn namelijk preventief en kunnen, als de ziektedruk laag is, wat uitgesteld worden. Normaal gesproken spuiten we in het begin wekelijks, daarna gaan we over op een nieuwe generatie middelen, deze kunnen om de 10 dagen spuiten, wat een hele verbetering is. We wisselen van spuitmiddelen, om resistentie tegen de gebruikte middelen tegen te gaan. 

Andere oorzaken die schade kunnen veroorzaken in de aardappelen zijn luizen en de coloradokevers. Voor de luizen werken we met schadedrempels, dit betekent dat we pas gaan bestrijden als de schade te groot wordt. Hierdoor hebben we de afgelopen jaren niet apart tegen luizen hoeven te spuiten. Voor de coloradokevers ligt dit anders, deze bestrijden we sneller, omdat deze geen natuurlijke vijanden hebben in Nederland. Als je deze kevers hun gang laat gaan, kunnen ze binnen no-time een plant tot de grond toe af eten. 

In de loop van de teelt strooien we nog kunstmest bij. Dit doen we op basis van de analyse van de rundveedrijfmest die vooraf is toegediend en uiteraard de grondmonster die we voor de teelt hebben genomen, zo weten we precies wat de aardappelen nog nodig hebben. Later in het seizoen kunnen we dit met vloeibare meststof nog fine-tunen. 

Als het gewas genoeg gegroeid is, spuiten we het loof dood en wachten we 3 à 4 weken voordat we ze gaan rooien. 

Ⓒ 2020 Hoeve Blommensteijn